Hoofdstuk I

Oorspronkelijk werk in chronologische volgorde

Als vernieuwd en verbeterd PDF-bestand

1 Uit de papieren van iemand die nog leeft - uitgegeven tegen zijn wil door S. Kierkegaard. (Over Andersen als romanschrijver in voortdurend verband met zijn laatste werk "Slechts een Speelman"). 42 p., 7 september 1838.

2 Over het begrip ironie in voortdurend verband met Socrates. (Proefschrift verdedigd op 27 september 1841). 300 p., 2 juni 1841. ?II-1?*

3 Openlijke bekenning. Het Vaderland, 12 juni 1842.

4 Johannes Climacus ofwel Men moet aan alles twijfelen (De omnibus dubitandum est). Een Vertelling. 79 p., oktober 1842. (onvoltooid met ontwerpen, niet uitgegeven; oorspr. Papirer IV B 1). ?II-2,3?

5 Het Een of het Ander. Een levensfragment. Uitg. Victor Eremita. 838 p., 20 februari 1843. ?II-7?

Eerste Deel: A's schrijfsels.

1. Diapsalmata - ad se ipsum. ?II-47?

2. De onmiddellijke erotische stadia of het muzikaal-erotische. ?II-4?

3. De weerschijn van het antieke tragische in het moderne tragische. Gepresenteerd voor de Symparanekromenoi.

4. Schaduwbeelden - Psychologisch tijdsverdrijf gepresenteerd voor de Sympara-nekromenoi.

5. De ongelukkigste man - een enthousiaste toespraak voor de Symparanekro-menoi - Rede gehouden op de Vrijdagsbijeenkomst. ?II-45?

6. De eerste liefde - Een komedie in een akte door Scribe, vertaald door J. L. Heiberg.

7. De wisselbouw - Een poging tot een sociale verstandigheidsleer. ?II-5,48?

8. Het dagboek van de verleider (Johannes). ?II-6?

Tweede Deel: B's schrijfsels (Vilhelm). Brieven aan A.

1. De esthetische geldigheid van het huwelijk. ?II-48?

2. Het evenwicht tussen het esthetische en het ethische in de ontwikkeling van de persoonlijkheid.

3. Ultimatum (besluitend met een preek van een Jutlandse dominee: "Het stichtelijke dat ligt in de gedachte dat wij tegenover God steeds ongelijk hebben ?II-46?).

6 Waar is de schrijver van "Het Een of Ander" door A. F...... Het Vaderland, 27 februari 1843.

7 Een bedankje aan de heer Professor Heiberg door Victor Eremita. Het Vaderland, 5 maart 1843.

8 Twee stichtelijke toespraken. 52 p., 16 mei 1843.

I. De verwachting van het geloof; Nieuwjaarsdag. Gal. 3:23. ?II-38?

II. Iedere gave die goed, en elk geschenk dat volmaakt is, daalt van boven neder. Jac. 1:17-22.



?II-..?* Verwijst naar gehele of gedeeltelijke vertaling van deze tekst onder het aangegeven nummer in Hoofdstuk II.

9 Een kleine uitleg. Het Vaderland, 16 mei 1843.

10 Vrees en Beven. Dialektische lyriek door Johannes de Silentio. 135 p., 16 oktober 1843. ?II-8,9,47?

11 De Herhaling. Een proeve in de experimenterende psychologie door Constantin Constantius. 157 p., 16 oktober 1843. ?II-10,46,47?

12 Drie stichtelijke toespraken. 62 p., 16 oktober 1843.

I. De liefde bedekt tal van zonden I. 1 Petr. 4:7-10.

II. De liefde bedekt tal van zonden II. 1 Petr. 4:7-12.

III. Het aansterken van het innerlijke in de mens. Ef. 3:13-21. ?II-11?

13 Vier stichtelijke toespraken. 84 p., 6 december 1843.

I. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen; de Naam des Heren zij geloofd. Job 1:20. ?II-12,13?

II. Iedere gave die goed, en elk geschenk dat volmaakt is, daalt van boven neder. Jac. 1:17-22.

III. Als 4.2. en 9.7.

IV. Door volharding zult gij uw leven verkrijgen. Luc. 21:19.

14 De demissiepreek (afstudeerpreek) over 1 Kor. 2:6-9. 24 februari 1844.

15 Twee stichtelijke toespraken. 59 p., 5 maart 1844.

I. Zijn ziel verwerven door standvastigheid. Luc. 21:19.

II. Geduld bij het verwachten (Anna). Luc. 2:33-40.

16 Drie stichtelijke toespraken. 70 p., 8 juni 1844.

I. Gedenk dan uw Schepper in uw jongelingsjaren. Pred. 12:1.

II. De verwachting van een eeuwige heerlijkheid. 2 Kor. 4:17.

III. Hij moet wassen, ik moet minder worden. Joh. 3:30. ?II-35,38?

17 Wijsgerige Kruimels of een Kruimeltje Filosofie door Johannes Climacus. Uitg. S. Kierkegaard. 164 p., 13 juni 1844. ?II-14,15?

18 Het begrip Angst. Een eenvoudige psychologische meditatie, die heenwijst naar het dogmatische probleem van de erfzonde. Vigilius Haufniensis. 184 p., 17 juni 1844. ?II-15,16,17?

19 Voorwoorden. Onderhoudende lectuur voor enkele standen en gelegenheden door Nicolaus Notabene. 111 p., 17 juni 1844. ?II-45?

20 Vier stichtelijke toespraken. 111 p., 31 augustus 1844.

I. Nood hebben aan God is 's mensen hoogste volmaaktheid.

II. De doorn in het vlees. 2 Kor. 12:17. ?II-35?

III. Tegen de vreesachtigheid. 2 Tim. 1:7.

IV. De mens die goed bidt, strijdt in het gebed en overwint ... doordat God overwint.

21 Drie toespraken bij gefingeerde gelegenheden. 100 p., 29 april 1845.

I. Naar aanleiding van een biecht.

II. Naar aanleiding van een huwelijk. ?II-45?

III. Aan een graf. ?II-35,38?

22 Stadia op de levensweg. Studiën door verschillende personen, bijeengebracht, bezorgd en uitgegeven door Hilarius Bogbinder. 391 p., 30 april 1845. ?II-18?

Lectori benevolo!

1. "In vino veritas". Een herinnering - naverteld door William Afham. ?II-45?

2. Allerlei over het huwelijk tegen bedenkingen. Door een gehuwd man (Assessor Vilhelm).

22 3. "Schuldig?" - "Niet-schuldig?" Een lijdensgeschiedenis. Psychologisch experi-ment door Frater Taciturnus. (Over het dagboek van Quidam). Schrijven aan de lezer, door Frater Taciturnus.

23 Een verklaring en nog iets door Frater Taciturnus. Het Vaderland, 9 mei 1845.

24 Een vluchtig kommentaar bij een detail in Don Juan door A. Het Vaderland, 19-20 mei 1845.

Achttien stichtelijke toespraken. (bundeling) 29 mei 1845.

25 Het werk van een rondreizende estheet, en hoe hij er toch toe komt het feestmaal te betalen. (Uitdaging aan het spotblad "De Korsaar"). 27 december 1845. ?II-51?

26 Het dialectische resultaat van een literaire politie-handel door Frater Taciturnus. Het Vaderland, 10 januari 1846.

27 Afsluitend onwetenschappelijk naschrift bij de Wijsgerige Kruimels. Mimisch-pathetisch-dialectisch verzamelschrift; existentiële bijdrage door Johannes Climacus. Uitg. S. Kierkegaard 494 p., 27 februari 1846. ?II-47,48?

Eerste Deel:

Het objectieve probleem van de waarheid van het Christendom.

Tweede Deel:

Het subjectieve probleem. De relatie van het subject tot de waarheid van het Christendom; of hoe men Christen wordt.

Eerste afdeling: Iets over Lessing. ?II-46?

Tweede afdeling: Het subjectieve probleem, of hoe de subjectiviteit moet zijn, opdat

voor haar het probleem tot probleem kan worden. ?II-19 (II.2.2.),46 (II.2.4.SII.A2)?

28 Een literaire bespreking. Twee tijdperken, een novelle van de schrijver van Een geschiedenis uit het leven van alledag, uitgegeven door J. L. Heiberg, Kopenhagen, Reitzel, 1945. 105 p., 30 maart 1846. ?II-19?

29 Stichtelijke toespraken in verschillende geest. 363 p., 13 maart 1847.

Eerste afdeling:

Een gelegenheidsrede. Naar aanleiding van een biecht.

Tweede afdeling: Wat we leren van de leliën op het veld en de vogels in de hemel. Drie redevoeringen.

I. Dit heilig evangelie schrijft de evangelist Mattheus in 6:24-34. ?II-38?

II.

III.

Derde afdeling: Het evangelie van het lijden; Christelijke redevoeringen.

I. Wat wordt er bedoeld met en wat is het verheugende in de gedachte dat we Christus moeten navolgen ? Luc. 14:27. ?II-46?

II. Hoe kan de last licht zijn, als het lijden zwaar is ? Matt. 11:30.

III. Het verheugende in het feit, dat de school van het lijden opvoedt voor de eeuwigheid. Hebr. 5:8. ?II-20,21?

IV. Het verheugende in het feit, dat de mens ten overstaan van God altijd schuldig is. Luc. 23:41.

V. Het verheugende in het feit, dat het niet de weg is die moeilijk is, maar dat de moeilijkheid de weg is. ?II-46?

VI. Het verheugende in het feit, dat zelfs wanneer het lijden het meest drukt toch het geluk der eeuwigheid het overwicht heeft. 2 Kor. 4:17.

29 VII. Het verheugende in het feit, dat de onbevangenheid de macht van de wereld kan ondermijnen door te lijden. Hand. 5:41.

30 De dialectiek van de ethische en de ethisch-religieuze mededeling. augustus 1847 (niet uitgegeven; oorspr. Papirer VIII 2B 79-89).

31 Daden van naastenliefde. Enige Christelijke overwegingen in de vorm van toespraken. 429 p., 29 september 1847. ?II-23,25?

Eerste Deel:

I. Het verborgen leven van de liefde en haar kenbaarheid aan de vruchten. Luc. 6:44.

II. A. Jij `zult' liefhebben. Matt. 22:39. ?II-24,46?

B. Jij zult `de naaste' liefhebben.

C. `Jij' zult de naaste liefhebben.

III. A. Liefde is de vervulling van de wet. Rom. 13:10.

B. Liefde is een zaak van het geweten. 1 Tim. 1:5. ?II-46?

IV. Onze plicht, de mensen die wij zien, lief te hebben. 1 Joh. 4:20. ?II-22?

V. Onze plicht om bij elkaar in de schuld van de liefde te blijven. Rom. 13:8.

Tweede Deel:

I. Liefde bouwt op. 1 Cor. 8:1.

II. Liefde gelooft alles en wordt toch nooit bedrogen. 1 Cor. 13:7.

III. Liefde hoopt alles en wordt toch nooit beschaamd. 1 Cor. 13:7.

IV. Liefde zoekt niet zichzelf. 1 Cor. 13:5.

V. Liefde bedekt de veelvuldigheid van de zonden.

VI. Liefde blijft. 1 Cor. 13:13.

VII. Barmhartigheid, een liefdedaad, zelfs als zij niets te geven heeft of niets vermag te doen.

VIII.De overwinning van de vergevingsgezindheid in liefde, waardoor de

overwonnene gewonnen wordt.

IX. De liefdedaad, een gestorvene te gedenken. ?II-46?

X. De liefdedaad om de liefde aan te prijzen.

Besluit

32 De religieuze verwarring van de huidige tijd, toegelicht aan de hand van het fenomeen Magister Adler. Een mimische monografie van Petrus Minor. Uitg. S. Kierke-gaard. 1 december 1847 (in 3e redaktie, niet uitgegeven; oorspr. VII 2 B 235).

33 Christelijke toespraken. 350 p., 26 april 1848.

Eerste afdeling: De zorgen van de heidenen. Matt. 6:24-34:

I. Zorgen vanwege armoede.

II. Zorgen vanwege overvloed.

III. Zorgen vanwege geringheid.

IV. Zorgen vanwege aanzien.

V. Zorgen vanwege overmoed.

VI. Zorgen vanwege angstvalligheid.

VII. Zorgen vanwege onzekerheid, onstandvastigheid en troosteloosheid.

Tweede afdeling: Gevoelens in de strijd van het lijden:

I. Het verheugende in: dat men slechts éénmaal kan lijden, maar dat men eeuwig zegeviert.

II. Het verheugende in: dat de nood ons niet van de hoop berooft, maar haar juist verwerft. ?II-35?

III. Het verheugende in: hoe armer je wordt, des te rijker kun je een ander maken.

33 IV. Het verheugende in: hoe zwakker je wordt, des te sterker wordt God in je.

V. Het verheugende in: wat je in de tijd verliest, dat herwin je in de eeuwigheid. ?II-26?

VI. Het verheugende in: als ik "alles win", dan verlies ik niets.

VII. Het verheugende in: als het tegen zit, dan loopt het mee. ?II-35?

Derde afdeling: Gedachten, die van achteren treffen ... tot stichting:

I. Ga met zekere tred, wanneer je opgaat naar het huis des Heren.

II. "Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn?" (Matt. 19:27) - en wat zal ons deel zijn!

III. Alle dingen kunnen ons ten goede strekken - àls wij God liefhebben. ?II-35?

IV. De opstanding der doden staat voor de deur, voor de rechtvaardige - en de onrechtvaardige.

V. Wij staan nu dichter bij onze verlossing - dan toen we tot het geloof kwamen.

VI. Wat is het toch een geluk - wanneer men versmading lijdt terwille van een goede zaak.

VII. Hij werd in de wereld gelovig aanvaard. 1 Tim. 3:16. ?II-35?

Vierde afdeling: Redevoeringen bij het avondmaal op vrijdag:

I. Luc. 22:15. (Ik heb vurig begeerd, dit Pascha met U te eten, eer Ik lijd).

II. Matt. 11:28. (Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal U rust geven). ?II-27?

III. Joh. 10:27. (Mijn schapen horen naar Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij).

IV. 1 Kor. 11:23. (Want zelf heb ik bij overlevering van de Heer ontvangen, wat ik U weer overgegeven heb, dat de Heer Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam...). ?II-28,35?

V. 2 Tim. 2:12-13. (Indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen; indien wij Hem zullen verloochenen, zal ook Hij ons verloochenen).

VI. 1 Joh. 3:20. (God is meerder dan ons hart en heeft kennis van alle dingen).

VII. Luc. 24:51. (En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde).

34 De crisis en een crisis in het leven van een actrice. Inter et Inter. Het Vaderland, 24-27 juli 1848 (geschreven juli 1847). ?II-29?

35 De Heer Phister als Kapitein Scipio; in de komische opera `Ludovic'. Een herinnering en tot herinnering. Procul. december 1848 (niet uitgegeven; oorspr. Papirer IX B 67-73). ?II-29?

36 De bewapende neutraliteit of mijn positie als christelijke schrijver in de christenheid. 1848 (niet uitgegeven; oorspr. Papirer X 5 B 105-114).

Tweede uitgave "Het Eén of het Ander". 14 mei 1849.

37 De lelie op het veld en de vogel aan de hemel. Drie vrome toespraken. 14 mei 1949. ?II-30-32?

I. "Let op de vogels in de lucht; kijkt naar de leliën in het veld". Matt. 6:24-34.

II. "Niemand kan twee heren dienen". Matt. 6:24-34.

III. "Ziet naar de vogelen des hemels; zij zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren" - onbekommerd voor de dag van morgen. Matt. 6:24-34.

38 Twee ethisch-religieuze verhandelingen. 85 p., (2 dln uit "Boek over Adler"). 19 mei 1849. ?II-50?

38 I. Heeft een mens het recht zich voor de waarheid te laten doden ? Nalatenschap van een alleenstaand mens. Dichterlijk essay van H.H.

II. Over het verschil tussen een Apostel en een Genie. H.H. ?II-33?

39 Ziekte tot de dood. Een Christelijk psychologische uiteenzetting ter stichting en opwekking. Door Anti-Climacus. Uitg. S. Kierkegaard. 142 p., 30 juli 1849. ?II-34,50?

40 Drie toespraken bij het Avondmaal op vrijdag. 19 p., 13 november 1849. ?II-35?

I. De hogepriester. Hebr. 4:15.

II. De tollenaar. Luc. 18:13. ?II-38?

III. De zondares. Luc. 7:47.

41 Oefening in Christendom, van Anti-Climacus. Nr. I.II.III. Uitg. S. Kierkegaard.

237 p., 27 september 1850. ?II-36?

42 Een stichtelijke toespraak. 20 p., 20 december 1850.

De zondares. Luc. 7:37.

43 Afwijzing na een opmerking van Dr. Rudelbach over mij. Het Vaderland, 31 januari 1851.

44 Over mijn werkzaamheid als schrijver. 27 p., 7 augustus 1851. ?II-51?

45 Bijlage (bij 44) met voorwoord. "De Enkeling". Twee "notities" betreffende mijn werkzaamheid als schrijver. ?II-37?

46 Twee toespraken bij het Avondmaal op vrijdag. 27 p., 7 augustus 1851.

I. De zondares. Luc. 7:47. ?II-38,39,48?

II. De liefde bedekt tal van zonden. 1 Petr. 4:8.

47 Tot zelfonderzoek, mijn tijdgenoten aanbevolen. 175 p., 10 september 1851.

?II-40,41,42?

I. Wat er vereist wordt om zich met succes te kunnen bekijken in de spiegel van het woord. Jac. 1:22-27. ?II-48?

II. Christus is de weg (Hemelvaart). Hand. 1:1-12.

III. Het is de Geest die levend maakt (Pinksteren) Hand. 2:1-12. ?II-38?

48 Oordeel zelf! Tot zelfonderzoek aanbevolen aan mijn tijdgenoten. Tweede reeks 1851-1852. (postuum door P. Chr. Kierkegaard uitgegeven 1876). ?II-43?

I. Wordt daarom nuchter. 1 Petr. 4:7.

II. Christus als voorbeeld, of: Niemand kan twee heren dienen. Matt. 6:24-34.

?II-38?



Artikelen in Het Vaderland (Fædrelandet) ?II-44?



49 Was bisschop Mynster een waarheidsgetuige? 18 december 1854.

50 Daarbij blijft het. 30 december 1854.

51 Een uitdaging aan mijn adres van pastor Paludan-Müller. 12 januari 1855.

52 De strijd met bisschop Martensen: dat, christelijk gezien, reeds op voorhand, de bestaande kerkelijke orde een oneerlijke zaak is. 29 januari 1855.

53 Twee nieuwe waarheidsgetuigen. (Feuilleton) 29 januari 1855.

54 Bij bisschop Mynsters dood. 20 maart 1855.

55 Is dat christelijke godsverering of houden wij God voor de gek. (een gewetensvraag, om mijn eigen geweten te ontlasten). 21 maart 1855.

56 Wat er gedaan moet worden dat gebeurt nu, zo niet door mij dan door een ander. 22 maart 1855.

57 De religieuze toestand. 26 maart 1855.

58 Eén stelling,- slechts een enkele. 28 maart 1855. ?II-48?

59 "Zout", want - "christenheid" is verraad aan het christendom en "een christelijke wereld" afval van het christendom. 30 maart 1855.

60 Wat ik wil? 31 maart 1855.

61 Naar aanleiding van een anoniem voorstel aan mij in no. 79 van dit blad. 7 april 1855.

62 Is het niet het beste nu met de ruzie op te houden? 11 april 1855.

63 Christendom met koninklijke aanstelling of christendom zonder koninklijke aanstelling. (Feuilleton) 11 april 1855.

64 Wat een verschrikkelijke straf! 27 april 1855.

65 Een resultaat. 10 mei 1855.

66 Een monoloog. (Feuilleton) 10 mei 1855.

67 Over een zielige gewichtigheid aangaande mij en de opvatting over christendom die ik voorsta. 15 mei 1855.

68 Bij de nieuwe uitgave van "Oefening in Christendom". (Nu onder eigen naam uitgegeven). 16 mei 1855.

70 Het zwijgen van bisschop Martensen is 1) christelijk gezien onverantwoord, 2) belachelijk, 3) op een domme manier verstandig, 4) in meer dan één opzicht verachtelijk. 26 mei 1855.

-

69 "Dit moet gezegd worden: het zij dus gezegd", door S. Kierkegaard, Kopenhagen. Matt. 25:4. 24 mei 1855. (vlugschrift) ?II-48?

71 Het Ogenblik (Øieblikket) No.1. 24 mei 1855. ?II-44?

1. Stemming.

2. Bij "Dit moet gezegd worden", of: hoe het beslissende moet worden doorgeduwd.

3. Kan de staat, - de christelijke staat (!) -, het verantwoorden om, zo mogelijk, het christendom onmogelijk te maken? ?II-46?

4. "Neem een braakmiddel".

Bijlage: Het ogenblik.

72 Het Ogenblik No.2. 4 juni 1855. ?II-44?

1. Aan "mijn lezer".

2. Dat de opgave in twee richtingen gaat.

3. Het comfortabele en de zorg om een eeuwige zaligheid. ?II-46?

4. Het menselijke beschermt (protegeert) het goddelijke.

5. Lofrede op het menselijk geslacht of het bewijs dat het Nieuwe Testament niet meer dan de waarheid is. ?II-46?

6. Wij zijn allen christenen. ?II-46?

7. Een moeilijkheid met het Nieuwe Testament. ?II-46?

8. Als wij werkelijk christenen zijn, wat is God dan wel? ?II-46?

9. Als wij werkelijk christenen zijn, als het - christelijk gezien - in orde is met de "christenheid" en "een christelijke wereld", dan is eo ipso het Nieuwe Testament geen wegwijzer meer voor de christenen en kan dit ook niet meer zijn. ?II-46?

10. Wat een geluk dat we niet allemaal dominee zijn. ?II-46?



73 "Hoe Christus oordeelt over het officiële christendom", door S. Kierkegaard, Kopenhagen. Matt. 23:29-30 en Luc. 11:47-48. 16 juni 1855. ?II-38,48,51?

74 Het Ogenblik No.3. 27 juni 1855. ?II-44?

1. Staat - christendom

2. Is het christelijk gezien te verantwoorden dat de staat een deel van de studerende jeugd verleidt?

3. Kan de staat het verantwoorden dat hij een eed afneemt die niet alleen niet gehouden wordt, maar die bovendien een tegenspraak in zichzelf betekent als men die eed houdt.

4. Kan de staat het, christelijk gezien, verdedigen dat hij het volk misleidt, of het inzicht van het volk in wat christendom is?

5. Laat de staat de proef op de som eens nemen, zodat onmiddellijk duidelijk wordt dat de rekening niet klopt.

6. Als de staat het christendom in waarheid wil dienen, laat men dan die 1000 kostwinningen afschaffen.

75 Het Ogenblik No.4. 7 juli 1855. ?II-44?

1. Het oordeel van de dokter.

2. Hier ligt het ergerniswekkende.

3. De waarheid en de boterham. ?II-48?

4. Ware christenen: vele christenen.

5. In de "christenheid" zijn allen christenen, maar als allen christenen zijn, bestaat er geen christendom van het Nieuwe Testament meer, ja, wordt dat zelfs onmogelijk.

6. De moeilijkheid van mijn opgave.

7. Het officiële - het persoonlijke.

76 Het Ogenblik No.5. Juli 1855. ?II-44?

1. Wij zijn allen christenen, - zonder er maar enig idee van te hebben wat christendom is.

2. Een genie - een christen.

3. Het christendom van de geestelijke mens; het christendom van ons, mensen.

4. Het christendom van het Nieuwe Testament; het christendom van de "christenheid".

5. Als allen christenen zijn, bestaat er precies daardoor geen christendom meer.

6. Een opstand in trots, een opstand in huichelarij, of: over de afval van het christendom.

7. De eed of het officiële, - en het persoonlijke.

8. De nieuwste mode in religieuze zekerheden (garanties).

9. "Wacht u voor degenen die graag in lange gewaden rondlopen" Marc. 12:38; Luc. 20:46. (15 juni 1855).

77 Het Ogenblik No.6. 23 augustus 1855. ?II-44?

1. Kort en bondig. ?II-48?

2. De maatstaf, - en daarmee nogmaals over de eigenlijke moeilijkheid waartegen ik moet vechten.

3. Vrees het meest dat je op een dwaalspoor raakt.

4. Dat wij, de "christenheid" ons allerminst de beloften van Christus kunnen toeëigenen; want wij, de "christenheid", bevinden ons niet daar waar Christus en het Nieuwe Testament eisen dat men moet staan om christen te kunnen zijn.

5. Wat zegt de brandweer-commandant?

6. Kleine bemerkingen.

78 Het Ogenblik No.7. 30 augustus 1855. ?II-44?

1. Waarom houdt "de mens" vooral van "de dichter" en waarom is, goddelijk gezien, "de dichter" juist de allergevaarlijkste?

2. Mensenvisserij.

3. Wat men zoal een christen noemt. ?II-46?

4. "Eerst het Rijk Gods", een kleine "novelle". ?II-46?

5. Dat de "christenheid" van geslacht op geslacht een samenleving van niet-christenen is; en de formule waaronder zich dat afspeelt.

6. De belijdenis en de huwelijkssluiting: een christelijke komedie en nog erger.

7. Dat de, vooral in het protestantisme, zo veelgeprezen christelijke opvoeding van de kinderen in een christelijk familieleven, christelijk gezien op leugen, louter leugen gebaseerd is.

8. De waarheid over de betekenis van "de dominee" voor de samenleving.

9. Over de belangstelling die mijn zaak wordt betoond.

79 "Gods onveranderlijkheid; een redevoering", een toespraak van S. Kierkegaard, Kopenhagen, ter nagedachtenis aan mijn gestorven vader, Michael Pedersen Kierkegaard, bij leven kousenverkoper hier in de stad, gezegend zij zijn naam. Jac. 1:17-21. 3 september 1855 (Preek in Citadelkerk 18 mei 1851)

?II-35,37,38?

80 Het Ogenblik No.8. 11 september 1855. ?II-44?

1. De gelijktijdigheid; wat je in gelijktijdigheid doet is het beslissende.

2. Een mens leeft maar één keer. ?II-45,47?

3. Een eeuwigheid lang berouw.

4. Wat men zich eeuwig herinneren kan.

5. Twee beelden uit het leven.

6. De goddelijke gerechtigheid.

7. Beef, - want in een bepaald opzicht kan men God oneindig gemakkelijk bedriegen. ?II-45?

81 Het Ogenblik No.9. 24 september 1855. ?II-44?

1. Zo staat dus de zaak.

2. Als de idealen niet verkondigd worden, wordt het christendom tot in de grond vervalst. ?II-48?

3. Een dosis weemoed.

4. Verkoop geleuter, - en je zult zien dat alle moeilijkheden verdwijnen! ?II-46?

5. Dat de dominees menseneters zijn en wel op de afschuwelijkste manier.

6. De dominee bewijst niet alleen de waarheid van het christendom; hij weerlegt haar op hetzelfde ogenblik ook.

82 No.10. postuum gepubliceerd in Samlede Værker XIV2, 343-364 (S.V. 194, 309-330). (persklaar aangetroffen bij zijn dood). ?II-44?

1. Een rad voor de ogen. (25 augustus '55)

2. "Hoe zoudt gij ook kunnen geloven, als gij van elkaar eer tracht te verwerven". Joh. 5:44. (15 juli '55)

3. Wat de echo antwoordt. (9 juli)

4. De misdaad van de "christenheid" lijkt op iemand die zich, tegen alle rechten in van een erfenis meester wil maken. (24 augustus)

5. Wanneer is "het ogenblik" gekomen? (29 mei '55) ?II-46?

6. Mijn opgave. (1 september '55) ?II-46,48?

82 7. Kleine bemerkingen. (2 augustus '55)

(1) De godsverering van de dominees

(2) De dominee - de toneelspeler

(3) De dominee als excuus

(4) Heidendom - het christendom van de `christenheid'

(5) Ontstellende proporties

(6) Hartelijkheid - harteloosheid

(7) Geraffineerde laaghartigheid

(8) `Het is terwille van mijn opvolger'

(9) Conventsbier

(10) De hogere wijsheid in het feit dat er

altijd een voorganger en een opvolger is

83 Het gezichtspunt voor mijn werkzaamheden als schrijver. Een directe mededeling, rapport bij de geschiedenis. Najaar 1848. (1859 postuum uitgegeven

door Peter Christian Kierkegaard). ?II-46?

84 Dagboeken (1869 eerste uitgave). ?II-50,51,53,55-61?

85 Nagelaten papieren.